Wat zijn bewegingsvoegen of dilataties?

Bewegingsvoegen (ofwel in een moeilijk woord: ‘een dilatatie’) maken een beperkte (horizontale) beweging van de afwerklagen mogelijk. Deze beweging kan worden veroorzaakt door temperatuurverschillen, maar ook door krimp en kruip van de beton (technische termen die aangeven dat het uitharden / uitdrogen van de beton gepaard gaat met wat beweging).

Er zijn geen Nederlandse normen en richtlijnen die zijn toegespitst op een stenen vloer. Toch zijn er wel wat vuistregels te geven die zijn afgeleid uit onder meer de Belgische en Duitse regelgeving.

Hieronder vindt u algemene richtlijnen:

  • Elke bewegingsvoeg in de constructievloer recht daarboven doorzetten in de afwerklaag.
  • Elke bewegingsvoeg in de dekvloer recht daarboven doorzetten in de tegelvloer.
  • Bij deuropeningen een bewegingsvoeg aanbrengen in de dekvloer en in de tegelvloer.

Behalve de algemene richtlijnen dient bij een hechtende vloeropbouw (dat wil zeggen dat de afwerklaag wordt vastgemaakt op de onderliggende constructievloer) het volgende in ogenschouw te worden genomen:

  • Elke bewegingsvoeg in de constructievloer of in de druklaag recht daarboven doorzetten in de daarboven liggende lagen.
  • Extra bewegingsvoegen voor het opvangen van krimp zijn in principe niet nodig, maar worden wel aangeraden bij vloeren met een L- of een U- vorm. De vloer kan dan beter worden opgedeeld in vierkante en/of rechthoekige vloervelden, gescheiden door bewegingsvoegen in de afwerklaag.
  • Bij een prefab draagvloer zonder druklaag moeten alle afwerklagen worden voorzien van bewegingsvoegen, recht boven elke overgang tussen de draagvloer elementen. Wanneer de prefab draagvloer wordt uitgevoerd met druklaag zijn deze bewegingsvoegen niet noodzakelijk.

Wanneer de vloeropbouw ‘niet hechtend’ wordt gemaakt (dat wil zeggen dat de constructievloer door middel van bijvoorbeeld een plastic folie wordt gescheiden van de daarboven liggende lagen) dienen de volgende punten nog te worden meegenomen in het dilatatieplan:

Het vloeroppervlak zoveel mogelijk opdelen in vierkante of anders rechthoekige vloervelden met de volgende maximale waarden:

  • Maximaal 50 m2 voor binnenvloeren
  • Maximaal 25 m2 voor buitenvloeren
  • Verhouding tussen lengte en breedte maximaal 1 : 2
  • Maximale lengte 8 m1 voor binnenvloeren
  • Maximale lengte 6 m1 voor buitenvloeren

Zie hiervoor verder ook de hieronder staande figuur:

Dilitatieprincipe